Oostzaan wordt, samen met Westzaan en Assendelft, beschouwd als het “moederdorp” van de Zaanstreek. Daardoor zijn deze drie gemeenschappen volgens historische verslagen de oudste in de Zaanstreek. Oostzaan begon als een lintvormige nederzetting bestaande uit de gehuchten Noordeinde, Kerkbuurt, en Zuideinde breidde zich later uit. Na de inpoldering van het land langs de Zaan in de 11de tot 13de eeuw, groeide het lintdorp in populariteit.

Oostzaan

Het dorp Oostsaenden werd voor het eerst gedocumenteerd in 1306 als Oostsaenden. De naam kan zowel zinspelen op het feit dat de nederzetting ten oosten van de rivier de Zaan ligt als op het feit dat ze ten oosten van het later verdwenen dorp Zaanden ligt, wat beide mogelijke verklaringen zijn (ook Saenden, Oud-Zaanden, of Oud-Saenden genoemd). Er werd een kerk gebouwd in het hart van de nederzetting, en het gehucht Kerkbuurt werd er officieel door vastgesteld. Albrecht van Beieren stierf in 1403, en Simon van Zanden, een burger van Haarlem, was de laatste die voor zijn dood de heerlijkheid Oostzaan van hem erfde. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog staken Spaanse soldaten in 1573 in Oostzaan de kerk, veel huizen en de meelmolen Het Wapen van Oostzaan in brand. Ze werden uiteindelijk allemaal in de jaren daarna herbouwd.

De haven van Oostzaan was betrokken bij de scheepvaart van de VOC en de WIC en bij de bouw van schepen. Zo had Oostzaan zijn eigen piraat, Claes Compare, in de stad gevestigd. Nadat hij vanuit Nederland als wettig kaper-kapitein was uitgevaren, gewapend met kaperbrieven, begon hij al gauw voor eigen rekening schepen te grijpen, in het Kanaal, de Middellandse Zee, de Afrikaans-Atlantische kust, of zelfs het Caraïbisch gebied. Voor zijn acties in het Caraïbisch gebied werd hij in 1672 terechtgesteld. Een deel van zijn buit werd te gelde gemaakt op de kust van Ierland en daarna in Salé en langs de Barbarijse kust.

In de loop der jaren groeide het dorp meer in zuidelijke richting dan in het noorden. Later ontstond bij de Overtoom aan het IJ, dat toen nog breed was, een eigen wijk, vergelijkbaar met die in Westzaan. Uit deze kleine gemeenschap ontstond de Oostzaner Overtoom, zoals die toen genoemd werd. Al in de 16e eeuw begon de koopvaardij vanuit deze plaats te werken, vooral naar de Oostzee. In de loop van de 17de en 18de eeuw kwam er walvisvaart bij. Aan de oostkant van het eiland, bij het Twiske, lagen tankboerderijen waar walvisvet tot lampolie verwerkt werd.

Op de grens met Noordeinde lag een nederzetting die bekend stond als De Kathoek. De Kerkbuurt was in twee delen verdeeld: de Zuiderkerkbuurt en de Noorderkerkbuurt. De Ambachtsheerlijkheid Oostsanen werd in 1729 van de Staten van Holland en West-Friesland gekocht door de regenten van Oostsanen en Oostzaandam voor een som van 100.000 gulden, volgens historische verslagen.

De Ambachtsheerlijkheid is het vermogen om onder druk goed te presteren. De gemeente Oostsanen, die de plaatsen Oostzaan, Oostzaandam en Haaldersbroek omvatte, werd in 1806 opgeheven. Daarna werd Oostzaan een zelfbesturende gemeente. Om de groei van de stad Amsterdam over het IJ op te vangen, werd in 1921 een deel van de Oostzaan geannexeerd. Het lag toen in de buurt van de Oostzaner Overtoom en de IJ-polder. Tuindorp Oostzaan is een stad gelegen in de Noorder IJ-polder. De stad Oostzaan, en vooral de Kerkbuurt, groeide in de loop van de twintigste eeuw. Deze nieuwe bouwwerken dienden ook als basis voor de ontwikkeling van de dorpskern van Oostzaan. Op Zuideinde is ook wat nieuwbouw gepleegd. Sinds de voltooiing van de ringweg rond Amsterdam in 1966 is deze streek een deel van de stad Amsterdam geworden en door de gemeente geannexeerd (A10). Oostzanerwerf is de naam die tegenwoordig aan deze plaats gegeven wordt.

Er was vroeger, tot kort na halverwege de twintigste eeuw, een soort verscheidenheid van en onder de Oostzaners binnen de gemeente Oostzaan: de Noordelingen, die uit het noorden kwamen (Noordeinde – De Haal – De Heul – Achterdichting), en de Kerkbuurters, die uit de omgeving van de Grote Kerk (Kerkstraat – Kerkbuurt) kwamen. Er werd ook onderscheid gemaakt tussen de Kerkbuurters en de Noorderkerkbuurters, waarbij het bij de laatste om een afdeling ging die dichter bij het Noordeinde lag. Tenslotte zijn er de Zuiderlingen, die uit het Zuideinde gekomen zijn. Er was geen concurrentie onder hen, maar men kon altijd vertellen waar men vandaan kwam door de achternaam van de persoon in kwestie te horen of te zien. De een werd niet of net niet geaccepteerd door de Oostzaners (geboren en/of getogen in Oostzaan) toen men van buiten de stad verhuisde. De ander was in die tijd importeur. Vooral Zaandammers (Bunzingen) en degenen die van die kant van de Zaan kwamen, werden in het dorp niet goed ontvangen. Het was gemakkelijker om met Amsterdammers overweg te kunnen, maar ze waren niet inheems in Oostzan, en hadden dus moeite om zich in de gemeenschap te vestigen.

De Haal en de Heul zijn onveranderd gebleven, behalve oude wegsloten in de Haal, maar de rest van Oostzaan heeft een ingrijpende verandering ondergaan. Het moest zijn oude wegsloot opgeven om plaats te maken voor de Kerkstraat, een drukke doorgaande weg. Dit werd nodig geacht in het licht van de belangrijke ligging van Oostzaan ten opzichte van zowel Amsterdam als Zaandam.

Het weeshuis aan het Zuideinde is een van de oudere bouwsels in Oostzaan, want het werd in de 18de eeuw gebouwd. Het werd aanvankelijk opgericht als woonhuis, maar in 1774 werd het omgebouwd tot weeshuis. Alleen weeskinderen die in Oostzaan geboren waren kwamen voor opname in aanmerking. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog was het gebouw enige tijd eigendom van de Nederlands Hervormde Kerk. Toch werd het aan het eind van de twintigste eeuw tot woonhuis verbouwd.

Waterschappen

In 1786 trof een overstromingsdrama de Banne Oostzaan in Nederland. In 1625 stortte de dijk van de Achterdichting, waarvoor patent was verleend, in, met als gevolg dat de hele Banne onder water liep. Op 4 februari 1825 werd Oostzaan opnieuw getroffen door een overstromingsdrama ten gevolge van een doorbraak in de Zuiderzeedijk bij de Stenen Beer van Durgerdam. Oostzaan en een aanzienlijk deel van Waterland liepen volkomen onder water, inclusief de stad Oostzaan.

Op 16 januari 1916 werd Oostzaan opnieuw getroffen door een overstromingsdrama, maar deze keer stroomde het water gewoon over het Luyendijkje, dat in 1589 gepatenteerd was en gebouwd was om de stad tegen overstromingen te beschermen. De dijken bij Uitdam, Durgerdam en Katwoude waren eerder in januari, in de nacht van de 13de op de 14de, doorgebroken. Tijdens een hevige storm op 16 februari werd de polder opnieuw overstroomd. Pas op 24 maart kon het werk aan het leegmaken van de polder beginnen, en pas op 1 april was de klus geklaard.

Een treinstation in het gehucht De Heul, aan de spoorlijn tussen Zaandam en Purmerend, werd van 20 mei 1884 tot 15 mei 1938 door de gemeente Oostzaan geëxploiteerd, was eigendom van de stad.

Bron: Taxi Oostzaan

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.